N.D.B. (Nico) Habermehl (1946–2014)

Nico Habermehl

Welkom op de web­site over N.D.B. (Nico) Habermehl.

Zie voor reacties op zijn overlijden onder nieuws

.

.

.

ontmoeting

voor Nico Habermehl

de pionier zwierf door de stad

midden op straat

hield hij me staande

baande een pad dwars door de tijd

vroeg me mee op expeditie

langs verhalen, vragen, feiten

in zijn ogen zag ik schepen

nog niet opgegraven schatten

voorouders en ambachten

en ontembare nieuwsgierigheid

na een vriendelijke begroeting

ging ik in een gesprek

op reis

wie nu goed luistert

hoort zijn woorden nog

tussen gevels gonzen

ze dagen uit om rond te

trekken, om te ontdekken

wat hier achterbleef

 ©Klara Smeets

Portret van Nico Habermehl, verschenen in het Algemeen Dagblad, editie Groene Hart, op 7 mei 2015

IN MEMORIAM 

In de Tidinge van die Goude, het tijdschrift van de Historische Vereniging die Goude, verscheen in november  2014 een in memoriam voor Nico Habermehl, geschreven door Paul Abels, collega-historicis en vriend van Nico Habermehl. Het stuk kent dezelfde opzet als de vijftien portretten van Goudse historici die Habermehl zelf in de loop der jaren heeft geschreven.

 


Voor de op 17 oktober 2014 op 68-jarige leeftijd overleden historicus Nico Habermehl was de geschiede­nis een onu­it­put­telijke bron van ver­halen waar hij naar hartelust uit wist te putten. Als geboren verteller wist hij velen te inter­esseren voor het verleden. Hij schreef boeken, artike­len en stukken in de krant, hij maakte televisieprogramma’s, sprak voor de radio en gaf ontel­bare lezingen en lessen. Zijn interessegebied was breed. Als oud-stuurman op de grote vaart lag maritieme geschiedenis hem na aan het hart. Maar ook de stadsgeschiedenis van Zwolle en — na zijn verhuizing naar Holland — de geschiedenis van zijn woonplaats Gouda genoten zijn warme belangstelling. Uit zijn talrijke publicaties blijkt dat zijn belangstelling ook niet tijdgebonden was; hij schreef over de volle breedte van vroege middeleeuwen tot de 21ste eeuw. Voor zijn historische werk ontving Nico Habermehl verschillende onderscheidingen. Zo was hij Ridder in de Orde van Oranje Nassau en Ereburger van de stad Gouda.

In 1999 verscheen, ter voorbereiding op de stadsgeschiedenis Duizend jaar Gouda, een overzicht van ruim vierduizend historische boeken en artikelen die tot dan toe over de stad waren verschenen. Deze bibliografie, verschenen onder de titel Gouda in druk, werd voorafgegaan door levensschetsen van zestien belangrijke Goudse historici, mannen die uit hartstocht de geschiedenis van Gouda beschreven hebben. De meeste van deze portretjes waren geschreven door Nico Habermehl. Als er iemand zich met passie en geestdrift op de Goudse geschiedenis gestort heeft, dan was het ook Nico Habermehl zelf. Op 17 oktober 2014 overleed hij na een twee jaar durende strijd tegen een slopende ziekte. Bij wijze van eerbetoon aan deze historicus, oud-voorzitter van Historische Vereniging die Goude en bovenal warme persoonlijkheid in deze Tidinge het zeventiende portret van een Gouds historicus volgens het stramien dat door hemzelf was ontworpen voor Gouda in druk.

Nico Habermehl (1946–2014)

Voor Nico Habermehl was de geschiedschrijving een late roeping. Hij leek voorbestemd voor een loopbaan als stuurman op de grote vaart, maar de liefde voor een Zwols meisje bracht hem aan wal. Clio kreeg hem daar al snel in haar greep, en beiden zouden elkaar nooit meer loslaten. Geschiedschrijving werd voor hem een passie waar hij het liefst elke vrije minuut aan besteedde. In dit vak was hij bovenal een verteller. Niet de instituten of de structuren boeiden hem, maar de mensen. De bezigheden, lotgevallen en emoties van de meest uiteenlopende personen uit de geschiedenis wist hij uit de archieven op te diepen en hij kon hierover smeuiïg vertellen in talrijke lezingen en lessen Goudologie. In zijn geschreven werk weerspiegelde zich veel meer dan in het gesprokene zijn tweede natuur; die van de consciëntieuze ambtenaar. Hij registreerde minutieus zijn archiefvondsten, waagde zich niet aan gedurfde speculaties en draaide zijn hand ook niet om voor getallen, die hij met engelengeduld verzamelde en in grafieken presenteerde. Habermehl liet zich niet vangen in een thema of tijdvak. Hij was van alle markten thuis, al had hij zijn voorkeuren, zoals maritieme geschiedenis, demografie en stadsgeschiedenis. Daarnaast was hij een uitstekend en nauwgezet organisator, een soepel bestuurder die met de meest uiteenlopende karakters kon omgaan en met zijn resultaatgerichtheid complexe projecten tot een goed einde wist te brengen.

 

Levensschets

De wieg van Nico Habermehl stond in Alphen aan den Rijn, niet eens zo ver van Gouda, maar de onrust van zijn vader en zijn eigen keuze voor de zeevaart brachten hem eerst in vele uithoeken van het land en de wereld voor hij in 1985 definitief hier neerstreek. Hij werd op 3 juli 1946 geboren en was daarmee een echte babyboomer van na de Tweede Wereldoorlog. Zijn vader, Jan Habermehl, was achtereenvolgens chauffeur, molenaar en bedrijfsleider. Als oudste van vijf kinderen maakte hij vele verhuizingen mee van zijn ouders, waardoor hij zich steeds weer moest aanpassen aan een nieuwe omgeving. Als op een avond de kachel uitging, dan wist de jonge Nico al hoe laat het was. Dan werd de volgende dag het hele gezin ingeladen om op een andere plek het leven weer op te pakken. Deze rusteloosheid was er wellicht mede debet aan dat hij na het behalen van zijn MULO-B-diploma koos voor een opleiding tot stuurman grote handelsvaart aan de Kweekschool voor de Zeevaart in Amsterdam. In 1964 behaalde hij daar zijn getuigschrift, waarna hij de theorie voor de praktijk mocht verruilen als stuurmansleerling bij Phs. van Ommeren in Rotterdam. In dit bedrijf bracht hij het vervolgens van vierde, tot derde en zelfs tweede stuurman.

De grote omslag in zijn leven kwam door Jeanette van ’t Land, die hij in Zwolle had leren kennen. De maandenlange afwezigheid op zee vormde voor beide geliefden een te grote belasting, reden waarom Habermehl er in 1973 voor koos de grote vaart vaarwel te zeggen.  Om in hun onderhoud te voorzien begonnen zij een antiekzaak, waarbij het commerciële talent van Nico geen gelijke tred hield met zijn al snel opbloeiende interesse in geschiedenis. Klanten kregen boeiende verhalen te horen over de spullen die in de winkel te koop werden aangeboden, om daarna onder dankzegging voor zoveel interessante informatie de winkel weer met lege handen te verlaten. Al snel zag hij daarom in dat hij niet in de wieg was gelegd voor het zakenleven. Hij ging als verkoper aan de slag in een boekwinkel en studeerde in de avonduren voor een bevoegdheid als geschiedenisleraar.

Habermehl mocht zijn verhalende kwaliteiten vanaf 1976 ook professioneel in de praktijk brengen als leraar geschiedenis op een MAVO in Zwartsluis. Tegelijkertijd zette hij zijn studie voort, waardoor hij een jaar later zijn MO-A en in 1980 zijn MO-B diploma in ontvangst mocht nemen. Daarmee was zijn leergierigheid nog niet gestild, want aan de Universiteit van Utrecht behaalde hij in 1983 ook het doctoraal examen in de geschiedenis.  Hiermee opende zich de weg voor weer een carrièrewissel. Van leraar werd Habermehl in 1985 rijksambtenaar bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in Zoetermeer. Met vrouw en twee zoon Floris en Diederick vestigde hij zich toen in Gouda. Zeer bewust koos hij voor deze oude Hollandse stad, omdat een rijk archief en een even rijke historie hem volop gelegenheid boden zijn liefhebberij in de vrije tijd te blijven beoefenen.

In zijn vorige woonplaats Zwolle was Habermehl al nauw betrokken geweest bij de oprichting van de Historische Vereniging Zwolle, waarvan hij in 1984–1985 ook voorzitter was. In Gouda ging hij direct op zoek naar een pendant daarvan en kwam aanvankelijk uit bij Golda. Dat bleek echter de vereniging van archeologen te zijn, waarvoor hij echter onmiddellijk aan de slag ging. Daarnaast meldde hij zich aan als lid van de Oudheidkundige Kring (thans Historische Vereniging) die Goude. Vanaf 1989 was hij binnen deze vereniging bestuurslid en van 2002 tot 2008 voorzitter. In de loop der jaren zou hij in Gouda nog tal van andere functies bekleden op het historische vlak. Zo was hij lange tijd redacteur van de Tidinge van die Goude, bestuurslid van de stichting Open Monumentendag, lid van de Straatnamencommissie en secretaris van de stichting Boughaz .

Als beleidsmedewerker van het ministerie hield Habermehl zich niet langer met geschiedenis bezig. Wel kwam zijn maritieme ervaring hem goed te stade, aangezien hij beleid moest ontwikkelen voor het nautisch– en later middelbaar beroepsonderwijs. Een van zijn tijdrovende dossiers in die tijd zou de vorming van Regionale Opleidings Centra (ROC’s) worden. Later werkte hij nog een aantal jaren voor de Directie Leraren. Ook op een andere manier deed de maritieme wereld weer haar intrede in zijn leefwereld: in de avonduren schreef Habermehl een dissertatie over de allereerste Nederlandse Minister van Marine, die hij afrondde met een promotie aan de Universiteit van Leiden in 2000. Zijn hang naar de zee vond ook een uitweg in een lidmaatschap van het shantykoor West ZuidWest, waarvan hij zelden een repetitie of uitvoering oversloeg.

In 2008 greep Habermehl de kans om als 62-jarige te stoppen bij het Ministerie van OC&W. Na enige tijfel koos hij inderdaad voor beëindiging van zijn ambtelijke loopbaan vanwege het wenkende perspectief zich volledig te kunnen wijden aan de geschiedwetenschap. Dat heeft hij zes jaar mogen toen, met vele publicaties als resultaat. In 2009 werd hij als waardering voor zijn activiteiten benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. Op 17 juli 2014 eerde de gemeente Gouda hem nog met het Ereburgerschap van de stad Gouda. Precies drie maanden later maakte een ongeneeslijke hersentumor een einde aan zijn leven.

Habermehl als historicus

De Werdegang van Habermehl als historicus bracht hem langs vele wateren en wegen. Zijn MBO-opleidingen sloot hij af met een scriptie over de beginperiode van de Amsterdamse Kweekschool voor de Scheepvaart. Met zijn doctoraalscriptie kwam hij nog steviger in maritiem vaarwater door een biografische schets te schrijven van de oprichter van genoemde school, Guillelmus Titsingh (1733–1805). Zo bezien lag de onderwerpskeuze voor zijn dissertatie, een decennium later, volledig hiermee in lijn. Opnieuw dook hij in een maritiem onderwerp en gebruikte hij het voertuig van de biografie. Daarbij koos hij echter niet voor een zeeman, maar voor een ambtenaar, als ware het een weerspiegeling van zijn eigen loopbaan. Dit onderzoek naar Joan Cornelis van der Hoop (1742–1825), de eerste Minister van Marine, leverde hem een schat aan informatie op, maar nauwelijks over de man zelf. Het lukte Habermehl maar niet deze dienaar van de Staten-Generaal – zoals hij zelf zei – bij de kladden te pakken. Zijn hoofdpersoon bleef verborgen achter de vele ambtelijke epistels die hij naliet. Zelfs een grafologisch onderzoek, teneinde via diens handschrift enig zicht te krijgen op ’s mans karakter, leverde niet de gewenste inkleuring op. Daarmee werd Habermehls proefschrift vooral een schets van de ontwikkelingsgang van het jonge ministerie en minder van de persoon Van der Hoop.

Zo bezien kwamen de kwaliteiten van Habermehl als historicus beter tot hun recht op een ander onderzoeksterrein waarop hij zich met hart en ziel heeft gestort, de stadsgeschiedenis van Gouda. Vanaf zijn eerste publicaties, enkele boekjes voor Openmonumentendag en een namens Golda geschreven boekje over de opgravingen in het Nieuwemarktgebied, liet hij zien hoezeer hij gegrepen was door de ontwikkelingsgeschiedenis in al haar facetten van deze Hollandse stad. Bovendien toonde hij zich daarbij een groot pleitbezorger van de popularisering van de geschiedschrijving. Zijn voorliefde voor het vertellen van verhalen  kwam hem daarbij zeer van pas. Zijn betrokkenheid bij de verschijning in losse afleveringen van Ach lieve tijd, een initiatief van Uitgeverij Waanders uit Zwolle – waarmee Habermehl in zijn vorige woonplaats al contact had – sloot hier naadloos op aan, net als de populariserende vertellingen over de Goudse historie die hij later veelvuldig voor TV Gouwestad ging verzorgen. Zijn betrokkenheid bij de Goudse Canon, bij een verhalenbundel voor de jeugd en zijn bijdragen aan Openmonumentendagboekjes en andere uitgaven over historische panden in Gouda – zoals in 2013 nog over Gebouw Arti Legi, waren andere bijdragen hieraan.

Naast verspreiding van kennis over de historie van de stad, was verdieping van deze kennis voor Habermehl ook van meet af een belangrijk doel van zijn historische werk. Kenmerkend voor het belang dat hij hieraan hechtte was zijn verzet tegen de aankoop van een winkelpand aan de Dubbele Buurt door de Oudheidkundige Kring. Tijdens een speciaal daartoe belegde buitengewone ledenvergadering liet hij niet na zijn standpunt helder te verwoorden: volgens hem was het doel van een historische vereniging niet het verwerven van onroerend goed, maar het doen van historisch onderzoek en het publiceren van de resultaten daarvan. Hij stond op dat moment tamelijk alleen in deze opvatting. Het pandje werd dan ook aangekocht en de tegenwerpingen van Habermehl werden hem door sommigen nog lang nagedragen. Pas na jaren mocht hij toetreden tot het bestuur.

Consequent en in lijn met zijn stellingname in de pandjesdiscussie is Habermehl zich altijd blijven inzetten voor historisch onderzoek in Gouda.  Goudse historici die dat in de eeuwen voor hem hadden gedaan, konden ook rekenen op zijn warme belangstelling. Over hen schreef hij vele historiografische levensschetsen, die 1994 gebundeld zouden worden als inleiding op een bibliografie van de geschiedschrijving over Gouda, getiteld Gouda in druk. Daarnaast had de demografie al vroeg zijn belangstelling. Wekenlang zat hij in het stadsarchief en in het archief van de Sint-Janskerk – toen nog als zelfstandige archiefinstelling gevestigd in de oude Librijezaal boven de ingang van de kerk – gegevens te turven uit de doop-, trouw– en begraafboeken. Ook met dit werk legde hij een belangrijke basis van de nieuwe stadsgeschiedenis van Gouda, die naar zijn vaste overtuiging hoognodig weer eens geschreven moest worden.

Habermehl trof in met name Jan Kompagnie en Paul Abels twee bondgenoten in het bestuur van Die Goude, die de geschiedschrijving van de stad eveneens een warm hart toedroegen. Deze ‘school’ van geschiedschrijvers slaagde erin de aloude traditie van het uitgeven van bundels met artikelen over de geschiedenis van Gouda nieuw leven in te blazen. Vanaf 1989 zagen dergelijke bundels weer het licht, waarbij Habermehl met name op de bundel In de stad van die Goude uit 1992 zijn stempel wist te drukken. Deze en andere uitgaven vormden uiteindelijk de opmaat tot de zo gewenste integrale stadsgeschiedenis. Eerdergenoemd driemanschap, aangevuld met de Amsterdamse hoogleraar Middeleeuwse geschiedenis Koen Goudriaan, trok daarbij de kar onder aanvoering van Habermehl. Zijn diplomatieke gaven, administratieve zorgvuldigheid en punctualiteit  zorgden ervoor dat de vijftien auteurs die bij dit project betrokken waren in goede eendracht leverden wat zij hadden toegezegd en nog binnen de afgesproken termijn ook. Het zeventigjarig jubileum van Die Goude in oktober 2002 werd daarbij als stevige stok achter de deur gebruikt. Habermehl wist daarnaast ook de gemeente Gouda bij het project te betrekken, met de toezegging een stevig aandeel te leveren met de aanstelling van een projectsecretaris voor vier jaar – Jan Willem Klein – en een gegarandeerde afname van een aantal boeken.

Inhoudelijk drukte Habermehl ook een stevig stempel op de opzet van de stadsgeschiedenis. Uit zijn koker kwam de idee om analoog aan de Franse Annales–school in de drie onderscheiden tijdvakken (Middeleeuwen, Nieuwe Tijd en Nieuwste Tijd) te kiezen voor een vaste opbouw met de langetermijn-ontwikkelingen als vertrekpunt. Dus eerste kwamen ruimtelijke ontwikkelingen en demografie aan de orde en daarna pas politiek, economie, zorg, religie en cultuur. Als auteur bleef zijn inbreng beperkt tot een hoofdstuk in het middendeel over demografie. Als eindredacteur droeg hij er in grote mate toe bij dat het lijvige boek, dat verscheen onder de titel Duizend jaar Gouda, tot een eenheid kon worden gesmeed.

Na afronding van de stadsgeschiedenis, een boek dat Habermehl beschouwde als zijn belangrijkste werk, bleef hij nieuwe thema’s en onderzoeksterreinen oppakken om de kennis over het Goudse verleden verder uit te diepen. Dankzij zijn inspanningen kwam een bewerking van de Kadastrale atlas van 1832 in druk beschikbaar en werd er een speciale Tidinge gewijd aan Erasmus, in een geslaagde poging om de aandacht in Gouda voor deze grote geleerde te doen herleven (en Rotterdam een beetje te kietelen over de toe-eigening). Habermehl slaagde er ook in een andere grote Gouwenaar, dokter W.F. Büchner aan de vergetelheid te ontrukken met de van een biografische inleiding voorziene heruitgave van zijn Bijdragen tot de geneeskundige topographie en statistiek van Gouda uit 1842.

Het laatste grote historische project in Gouda waarbij Habermehl intensief betrokken was, betrof het zogeheten straatnamenboek, een vierdelige serie over de stadsontwikkeling en de herkomst van straatnamen, die tussen 2012 en 2014 verscheen onder de titel Stad van de Gouwenaars. Voor dit werk schreef hij stukken over de Binnenstad, Stolwijkersluis, Nieuwe Park en de Korte Akkeren. Een sturende rol liet hij echter over aan anderen, want zijn meeste tijd besteedde hij in deze jaren aan het schrijven van een boek over het dorp Nieuwveen, waar zijn uit Duitsland afkomstige voorouders zich in de negentiende eeuw hadden gevestigd. Zo kwam er naast een stadsgeschiedenis ook nog een dorpsgeschiedenis uit zijn handen.

Habermehl had tot slot ook een scherp oog voor de recente geschiedenis en het belang van het vastleggen daarvan. Al vroeg begon hij met het optekenen van verhalen van de eerste ‘gastarbeiders’ uit Marokko, die naar Gouda werden gehaald door de vleesverwerkingsfabriek Compaxo  en andere bedrijven. Nadrukkelijk probeerde hij ook de Marokkaanse gemeenschap in de stad te doordringen van de noodzaak van het vastleggen van dit migratieverleden, waartoe onder meer de Stichting Boughaz werd opgericht met Habermehl als secretaris. In de praktijk bleef het moeilijk om deze bevolkingsgroep, die nauwelijks een geschreven herinneringscultuur kent, voor deze activiteiten te interesseren. Materiaal over de inmiddels 50-jarige geschiedenis van Marokkanen in Gouda is dankzij de inspanningen van Habermehl echter beschikbaar gemaakt via een onderwerpsdossier op Goudnet, de website voor historisch Gouda. Letterlijk tot het laatst toe heeft hij zijn best gedaan dit verleden te ontsluiten, zoals blijkt uit een artikel over de Islam in Gouda, dat nauwelijks een week voor zijn dood verscheen in een bundel van de Vereniging voor Nederlandse Kerkgeschiedenis. Het zou de laatste van een lange reeks publicaties zijn van zijn hand. (Paul H.A.M. Abels).

 

De site bevat een biografische schets, een publicatielijst en een beschrijving van zijn activiteiten.

E-mail: p.abels2@kpnplanet.nl