De bevolkingsontwikkeling te Nieuwveen tussen 1838 en 1954

12 augustus 2009

Inleiding

Nieuwveen telde in 1840, recipe zo’n twee jaar nadat timmerman Dirk Nicolaas Habermehl zich hier met zijn gezin had gevestigd, prostate 767 inwoners. Bij het vertrek van Pieter Habermehl in 1954, de laatste telg van dit geslacht in Nieuwveen, was het inwonertal verdrievoudigd tot 2304.

In deze bijdrage worden de bevolkingsontwikkeling van Nieuwveen en de daarop van invloed zijnde factoren tussen 1838 en 1954 geschetst, de periode dat de familie Habermehl in Nieuwveen woonachtig was. Waar dat mogelijk is, wordt een kijkje achter de cijfers gegeven. Het gaat immers om mensen van vlees en bloed.

Bevolkingsontwikkeling

De economische vooruitzichten zijn van grote invloed op de bevolkingsontwikkeling van een stad of dorp. In Nieuwveen zorgde de drooglegging tussen 1799 en 1812 van de omringende veenplassen voor nieuwe impulsen. Waar eens het water kabbelde, groeide nu het graan en graasden koeien. Jonge gezinnen bevolkten de met Amsterdams kapitaal gebouwde boerderijen. De hoge prijzen van de agrarische producten boden de boeren een zorgeloos bestaan. In hun kielzog vestigden zich winkeliers en ambachtslieden in de dorpskern. De geïsoleerde, in zichzelf gekeerde dorpsgemeenschap kwam langzaam maar zeker weer tot leven.

Met de aanvoer van grote hoeveelheden goedkoop Amerikaans graan na 1875 daalden de prijzen van de agrarische producten in korte tijd zo sterk dat veel boeren niet langer in staat waren hun pacht te betalen. Door het geven van voorlichting en het verzorgen van cursussen verbeterde de situatie na 1905 enigszins. De mechanisering en het gebruik van kunstmest zorgden voor verder herstel. Ook de financiële afhandeling van hun zaken gingen de boeren op moderne wijze doen via de Coöperatieve Boerenleenbank Ter Aar te Nieuwveen. Dit alles kon niet voorkomen dat er na 1920 opnieuw een economische terugval plaatsvond, die medio jaren dertig weer overging in een periode van groei.

In de jaren twintig van de vorige eeuw vestigden jonge ondernemende tuinders, veelal afkomstig uit Ter Aar, zich aan het Jaagpad langs de Amstel, waar zij op ‘gescheurde’ weilanden de tuinbouw beoefenden. Vond de tuinbouw in het begin op de koude grond plaats, later werd overgegaan op platglas en vervolgens deden de kassen hun intrede. De voornaamste tuinbouwproducten waren peulen, doperwten, snijbonen, sperziebonen, tuinbonen, augurken, komkommers, sla, wortelen en tomaten. Ondanks hard werken, leidden de tuinders een karig bestaan. Hierin kwam verbetering toen zij na de Tweede Wereldoorlog overgingen op het kweken van bloemen.

Van geheel andere aard, maar eveneens van grote invloed op de bevolkingsontwikkeling van Nieuwveen, was de in 1887 opgerichte Johannes Stichting, die zich het ondersteunen van hulpbehoevende oude mensen ten doel stelde. Het aantal verpleegden groeide in de loop der jaren aanhoudend. In 1936 telde de inrichting in totaal 286 verpleegden, die werden verzorgd door 22 zusters, inclusief de hoofdverpleegster. Werden in de beginperiode ouden van dagen en mensen met gebreken verpleegd die nog mobiel waren, later werd hun plaats ingenomen door bedlegerige patiënten.

Het aantal van 767 inwoners dat Nieuwveen in 1840 telt, groeit gestaag via 893 in 1850, 1004 in 1860 en 1173 in 1870, naar 1222 in 1880. Vanaf 1875 is het aantal inwoners op jaarbasis bekend.

aantal_bewoners_graph

Aantal inwoners van Nieuwveen 1880-1955. Om de 5 jaar voortschrijdende 10-jarige gemiddelden.

Tussen 1880 en 1895 neemt het aantal inwoners van Nieuwveen zeer langzaam toe, om vervolgens gedurende tien jaar licht te dalen. Vanaf 1905 stijgt het inwonertal weer tot in ieder geval 1955, het einde van de onderzochte periode. Omdat geboorte en sterfte, vestiging en vertrek bepalend zijn voor de ontwikkeling van de bevolking, zullen deze demografische variabelen nader worden bezien.

Geboorte en sterfte

De geboorte van een kind was een ingrijpende gebeurtenis. Vaak werd een baker ingehuurd, die de dokter of de vroedvrouw bij de bevalling terzijde stond, de baby verzorgde en het huishouden draaiende hield. Een bekende baker in de eerste helft van de twintigste eeuw was C.F. de Frankrijker-Klomp.

De kraamvrouw ontving van familie, vrienden en kennissen een door de plaatselijke bakker voor de gelegenheid gemaakte taart. Dit stelde de baker in staat de kraamvisite te voorzien van koffie mét gebak. Soms kreeg de kraamvrouw nog een schaal met eieren, bedoeld om aan te sterken. Met ditzelfde doel werd ook wel eens krachtige soep bezorgd. De huisgenoten werden op de dag van de geboorte getrakteerd op beschuit met muisjes.

Zodra de omstandigheden dat toelieten, werden de pasgeboren baby’s van Rooms-katholieke huize gedoopt. In protestantse kringen werden de baby’s één van de zondagen volgend op de geboorte ten doop gehouden. Traditioneel kreeg de oudste zoon de naam van zijn grootvader van vaders kant en het oudste meisje die van de grootmoeder van moeders zijde. Veelvoorkomende jongensnamen bij de familie Habermehl waren Dirk Nicolaas, Jan en Daniël, terwijl de meisjes vaak Christina Sophia, Anna Margaretha of Trijntje werden genoemd.

Tegenover de geboorte staat de sterfte. In de negentiende eeuw was cholera een veelvoorkomende doodsoorzaak, evenals tyfus. Ook kwamen in het waterrijke Nieuwveen nogal eens mensen door verdrinking om het leven. Op 22 mei 1913 ging Magdalena Habermehl-van Bemmel samen met haar man naar een bruiloft buiten het dorp. Magdalena bracht de kinderen bij haar vader op de boerderij Livonia. Toen ze ‘s avonds laat terugkeerde, viel het haar op dat er nog zoveel mensen buiten stonden die zwijgend naar haar keken. Op de boerderij aangekomen, hoorde zij tot haar ontzetting dat de drie jaar oude Petrus Marcelis in een onbewaakt ogenblik te water was geraakt en verdronken. Van de vele klappen die Magdalena tijdens haar leven heeft gehad, was dit wel de zwaarste.

Nadat iemand was overleden, werd de vitrage verwijderd en werden de overgordijnen op een kier na gesloten. Uit de kamer waar de overledene lag opgebaard, verwijderden de huisgenoten alle planten en bloemen. Bovendien draaiden zij de aanwezige spiegels om. Een timmerman uit het dorp maakte een kist van vurenhout, die hij zwart schilderde. Slechts voor de welgestelde dorpelingen was een kist van eikenhout – in naturel – weggelegd.

Het plaatsen van rouwadvertenties en het versturen van kaarten kwam in Nieuwveen zeker tot 1900 weinig voor. Het nieuws dat een dorpeling was overleden, ging als een lopend vuurtje door het dorp. Bovendien maakte de pastoor het overlijden van een parochiaan in de dagelijks gehouden ochtendmis officieel bekend onder vermelding van dag en uur van de begrafenis. Zolang een overledene van Rooms-katholieke huize nog niet ter aarde was besteld, kwamen familie, vrienden en buren ’s avonds in het sterfhuis bijeen om voor diens zielenrust te bidden.

Vanouds was het gebruikelijk dat de buren de kist, afgedekt met een zwart of paars kleed, op een zwartgeschilderde houten baar naar de begraafplaats droegen. Achter de baar liepen de familieleden en de belangstellenden. Lag het sterfhuis buiten de bebouwde kom, dan deed een kaasbrik dienst als lijkkoets. De dragers liepen nu aan weerszijden van de koets, terwijl de familieleden in rijtuigjes volgden. Na de begrafenis keerden de aanwezigen terug naar het sterfhuis. Daar werd koffie geschonken. Uitzonderingen daargelaten werd na de dag van de begrafenis nauwelijks of helemaal niet meer over de gestorven persoon gesproken.

In 1928 werd de Nieuwveense Begrafenis Vereniging opgericht. Hiervan kon iedereen lid worden, zowel katholiek als protestant. Met het in vaste dienst nemen van dragers, die allen eenzelfde kostuum kregen aangemeten, verviel de burenplicht. De aanspreker stelde de inwoners namens de familie huis aan huis op de hoogte van het overlijden en deed daarbij mededeling van de dag en het uur van de begrafenis. De vereniging wist de hand te leggen op een lijkkoets, die door twee paarden werd getrokken. Daarmee had de kaasbrik voorgoed afgedaan.

Rond de Hervormde kerk lag de Algemene Begraafplaats. Hier werden vanouds de inwoners van Nieuwveen begraven met uitzondering van de Rooms-katholieken, die aanvankelijk in Zevenhoven ter aarde werden besteld. Het kerkhof was omgeven door dikke zware bomen en vormde in combinatie met de kerk en de bomen aan de westzijde van het godshuis één van de mooiste en meest schilderachtige plekjes van het dorp. In de eerste decennia van de twintigste eeuw kwam hierin verandering. Om het kerkhof te kunnen uitbreiden, werden in 1905 twee zware iepen gerooid. Acht jaar later ondergingen de andere veertien iepen hetzelfde lot. De dodenakker werd nu omgeven door een groenblijvende haag van hulst. In 1867 namen de Rooms-katholieken een eigen kerkhof in gebruik, achter de nieuwgebouwde kerk. Deze begraafplaats werd in 1909 opgehoogd en voorzien van een houten schutting.

Door de vele doden in de Johannes Stichting dreigde de Algemene Begraafplaats rond 1920 te klein te worden. Overwogen werd tot uitbreiding over te gaan, maar hiervan werd afgezien toen de Johannes Stichting besloot zelf een kerkhof aan te leggen. In 1923 werd deze achter de stichting gelegen dodenakker in gebruik genomen. De begraafplaats van de Johannes Stichting werd al snel de meest gebruikte dodenakker. Werden tussen 1931 en 1935 op de Algemene Begraafplaats 5 personen per jaar ter aarde besteld, en 3 op de Rooms-katholieke begraafplaats, op het kerkhof van de Johannes Stichting waren dat er maar liefst 35.

Tijdens de Hongerwinter (1944) werden de patiënten en het personeel van de locatie Huis ter Heide in Nieuwveen gehuisvest. De leefomstandigheden waren slecht en het voedsel weinig gevarieerd. Van verwarming was nauwelijks sprake. Dat bleef niet zonder gevolgen. In 1945 stierven in Nieuwveen maar liefst 147 mensen, driemaal zoveel als onder normale omstandigheden. Na de bevrijding keerden de patiënten uit Huis ter Heide terug naar hun locatie en verbeterden de omstandigheden van de verpleegden in Nieuwveen.

geboorte_graph

Geboorte (niet onderbroken lijn) en sterfte (onderbroken lijn) in Nieuwveen 1905-1955. Om de 5 jaar voortschrijdende 10-jarige gemiddelden.

Het aantal geboorten neemt tussen 1835 en 1875 toe. Daarna volgt een even grote afname, die aanhoudt tot 1900. In de daaropvolgende periode herhaalt zich dit verschijnsel: een stijging tussen 1900 en 1920, gevolgd door een daling tot 1935. Daarna neemt het aantal geboorten opnieuw toe tot in ieder geval 1955.

Tussen 1835 en 1840 vindt een lichte daling van het aantal sterfgevallen plaats, gevolgd door een stijging tot 1870. Na een beperkte daling tussen 1870 en 1885 blijft de sterfte tot 1900 redelijk stabiel om vervolgens tot 1920 snel te stijgen. Daarna neemt het aantal sterfgevallen tot 1935 af, stijgt scherp tussen 1935 en 1945 om daarna weer even snel te dalen.

In de periode tussen 1835 en 1890 is er sprake van een geboorteoverschot, gevolgd door een sterfteoverschot tot 1950. Vanaf dat jaar is er weer sprake van een geboorteoverschot. Het sterfteoverschot tussen 1890 en 1950 komt vrijwel volledig voor rekening van de Johannes Stichting.

Vestiging en vertrek

Onder de mensen die zich in Nieuwveen vestigden en van daaruit vertrokken, bevonden zich zoals wij zagen leden van de familie Habermehl. Rond 1838 kwamen timmerman Dirk Nicolaas, zijn vrouw en zeven kinderen naar Nieuwveen. Hij erfde in 1851 een aanzienlijk vermogen van de weduwe van J.H. Horstman, die familie van zijn moeder was. Dat stelde hem in staat drie van zijn zoons, onder wie Jan, een eigen boerderij te bezorgen.

De agrarisch crisis die na 1875 zijn intrede deed, bracht de zoons van dijkgraaf Jan Habermehl in grote problemen. Berooid vertrok Daniel in 1891 naar Rotterdam, ging Christiaan Albert negen jaar later naar Amsterdam en vestigde Jan Hendrik zich in 1909 te Leiden. Alleen molenaar Dirk Nicolaas bleef Nieuwveen trouw, zij het dat hij in 1891 overleed. Zijn oudste zoon Nikolaas volgde hem op, maar ook hij stierf jong. Omdat de molen niet meer rendabel was, werd deze in 1925 verkocht. De jongens uit het gezin vertrokken uit Nieuwveen op zoek naar een passend bestaan. Nicolaas vestigde zich in 1935 als bakker in Voorburg, Jan vertrok enkele jaren later als chauffeur naar het naburige Alphen aan den Rijn en Petrus Marcelis emigreerde in 1949 naar Australië om daar een boerenbedrijf op te zetten.

Het aantal mensen dat zich tussen 1835 en 1875 jaarlijks in Nieuwveen vestigt en daaruit vertrekt, is niet bekend. Van 1875 tot 1900 zijn wel gegevens beschikbaar, maar deze zijn incompleet. In deze periode vestigen zich gemiddeld zo’n 109 mensen per jaar in het dorp en vertrekken er 116. Vanaf 1900 beschikken wij over complete reeksen.

vestiging_graph

Vestiging (niet onderbroken lijn) in en vertrek (onderbroken lijn) uit Nieuwveen 1905-1955. Om de 5 jaar voortschrijdende 10-jarige gemiddelden.

Tussen 1905 en 1920 stijgt het aantal mensen dat zich jaarlijks in Nieuwveen vestigt om de daaropvolgende vijf jaar te dalen. Tussen 1925 en 1940 vindt eerst een geleidelijke en vervolgens scherpe stijging van het aantal jaarlijkse nieuwkomers plaats om daarna weer te dalen.

In de periode tussen 1905 en 1910 vindt een lichte daling plaats van het aantal mensen dat Nieuwveen verlaat. Vanaf 1910 treedt een stijging op die aanhoudt tot 1945. De daaropvolgende tien jaar vindt weer een daling plaats.

Zetten we het aantal mensen dat zich jaarlijks in Nieuwveen vestigt tegenover degenen die het dorp verlaten, dan is er sprake van een beperkt vertrekoverschot tussen 1875 en 1900. Daarna is er een vestigingsoverschot. De oorzaak hiervan ligt voor een belangrijk deel in het aantal verpleegden dat jaarlijks in de Johannes Stichting is opgenomen. Uitzonderingen daargelaten, stierven zij in Nieuwveen en werden daar begraven.

Conclusie

De bevolkingsgroei van Nieuwveen tussen 1835 en 1875 kan worden toegeschreven aan het geboorteoverschot in die periode. Deze ontwikkeling zal waarschijnlijk zijn versterkt door een vestigingsoverschot, maar cijfers daarover ontbreken. Na 1875 neemt de bevolkingsgroei af. Wel is er ook tussen 1875 en 1890 sprake van een geboorteoverschot, maar dit wordt vrijwel geheel teniet gedaan door het vertrekoverschot, gevolg van de agrarische crisis die veel inwoners deed besluiten hun geluk elders te beproeven. Tussen 1895 en 1905 vindt zelfs een lichte daling van het aantal inwoners plaats. Dit decennium is er niet alleen sprake van een vertrekoverschot, maar ook van een sterfteoverschot. Het stijgend aantal inwoners vanaf 1905 komt geheel voor rekening van het vestigingsoverschot, dat het sterfteoverschot overtreft.

Geraadpleegde literatuur/archivalia

Algemeen

  • Habermehl, H.J., Het geslacht Habermehl in Nederland (Alphen aan den Rijn 1976).
  • Habermehl, Nico, ‘Genealogie, meer dan stamboom-onderzoek. De lotgevallen van een onfortuinlijke Nieuwveense familie’ [De familie Habermehl], De Baardman 27 (1998) 15-24.
  • Hakker, A.A., Vereniging Johannes Stichting 1887-1990. Meer dan een eeuw christelijke zorgverlening (Utrecht 1997).
  • Roovers, J.J., Vertellingen over Nieuwveen (Alphen aan den Rijn 1972).
  • Roovers, J.J., Gesprokkeld in oud-Nieuwveen (Nieuwkoop 1977).
  • Roovers, J.J., Vroeger in Nieuwveen (4 dln., Nieuwkoop 1980/1981).

Inwoners

  • 1840: Gesprokkeld in oud-Nieuwveen, 88.
  • 1850, 1860, 1870: SARM, Nieuwveen, Archief 1850-1990, inv.nr. 35, Bevolkingsstatistieken.
  • 1875-1899: SARM, De Rijnbode.
  • 1900-1935: SARM, Nieuwveen, Archief 1850-1990, inv.nrs. 119-2291, Gemeenteverslagen.
  • 1936-1942: SARM, De Rijnbode.
  • 1943: Reconstructie.
  • 1944-1945: SARM, Nieuwveen, Archief 1850-1990, inv.nr. 35, Bevolkingsstatistieken.
  • 1946: Reconstructie.
  • 1947-1960: SARM, Nieuwveen, Archief 1850-1990, inv.nr. 35, Bevolkingsstatistieken.

Geboorte

  • 1830-1922: SARM, Nieuwveen, Bevolkingsregisters.
  • 1923-1946: SARM, Nieuweveen, Tienjaarlijkse tafels.
  • 1947-1960: SARM, Nieuwveen, Archief 1850-1990, inv.nr. 35, Bevolkingsstatistieken.

Overlijden

  • 1830-1940: SARM, Nieuwveen, Bevolkingsregisters.
  • 1941-1946: SARM, Nieuwveen, Tienjaarlijkse tafels.
  • 1947-1960: SARM, Nieuwveen, Archief 1850-1990, inv.nr. 35, Bevolkingsstatistieken.

Vestiging/vertrek

  • 1875-1899: SARM, De Rijnbode.
  • 1900-1929: SARM, Nieuwveen, Archief 1850-1990, inv.nrs. 119-2291, Gemeenteverslagen.
  • 1930-1946: SARM, Nieuwveen, Archief 1850-1990, inv.nrs. 1849-1850, Registers van ingekomen en vertrokken personen.
  • 1947-1960: SARM, Nieuwveen, Archief 1850-1990, inv.nr. 35, Bevolkingsstatistieken.
  • Bron: De Baardman 42 (2005-2006) 25-33.